Weerloze beelden en stenen: cultureel erfgoed in conflict

Scriptie

IS’ inname van Palmyra in Syrië deed de wereld naar adem happen. UNESCO veroordeelde het slopen van het werelderfgoed. Liselotte Marnef onderzocht het bestaan van een beschermingsmechanisme in het internationaal recht tegen deze nieuwe oorlogsmisdaden.

Artikel door Liselotte Marnef

De recente en veelvuldige berichtgeving rond het vernietigen van cultureel erfgoed doet vermoeden dat het om een oorlogstechniek van hedendaagse makelij gaat. Niets is minder waar.

Iconoclasme werd al aangewend door Romeinse veldheren ten nadele van de christenen. De Beeldenstorm woedde eeuwen geleden in onze contreien vanwege iconoclasme en ook de universiteitsbibliotheek in Leuven werd er het slachtoffer van in 1914.

Het vernietigen van beelden, tempels, geschriften en andere cultuurgoederen die toebehoren aan een bepaald volk gaat veel verder dan het koelbloedige neerslaan van eeuwenoude waardevolle marmeren beelden van goden, koningen en andere menselijke gedaanten. Het gaat om het (om)verwerpen van het materiële bewijs van de geschiedenis, de kunst en de kunde van het geviseerde volk met zijn specifieke godsdienst.

‘Het gaat om het (om)verwerpen van het materiële bewijs van de geschiedenis, de kunst en de kunde van het geviseerde volk.’ 

Door het onthoofden van standbeelden, tracht de vijand dit volk als gemeenschap een kopje kleiner te maken en zijn cultuur en historie uit te roeien, als was het niet waard ooit bestaan te hebben.

In de eerste plaats steunt het beschermingssysteem van cultureel erfgoed op de fysieke bescherming en de preventieve maatregelen die voorzien moeten worden. Deze plichten werden vastgelegd in het Haagse Verdrag voor de bescherming van Cultureel Erfgoed in conflictsituaties (1954) en het Werelderfgoedverdrag (1972). Bij de ondertekening van deze verdragen verbonden de lidstaten zich ertoe deze plichten in acht te nemen. Helaas verklaarden een aantal landen zich wel akkoord maar volgde er geen ratificatie van deze verdragen. Zo gaf bijvoorbeeld de staatssecretaris van Groot-Brittannië in juni 2015 te kennen snel werk te willen maken van ratificatie van het Haagse Verdrag van 1954. Tot op vandaag werd de daad nog niet bij het woord gevoegd.

Sinds het afsluiten van deze verdragen werd de plicht om respect te tonen voor cultureel erfgoed in conflictsituaties beschouwd als een gewoonterechtelijke plicht die geldt voor de hele internationale gemeenschap. Los van ratificatie of ondertekening van bovenstaande verdragen dient er dus alom en door iedereen respect te worden getoond voor het culturele erfgoed. Zo dus ook in Syrië, Mali, Libië, Irak.

En kent u het blauwwitte schildje dat vaak op historische gebouwen, monumenten en kerken prijkt?

Image removed.Dit embleem is één van de preventieve maatregelen uitgewerkt in de Haagse Conventie van 1954. Het duidt het culturele erfgoed aan dat in geval van conflict bescherming geniet tegen vernietiging. Bewijs in de Strugar-Zaak (ICTY, Prosecutor versus Pavle Strugar, 31 januari 2005) toonde aan dat de blauwwitte emblemen in het oude stadsgedeelte van Dubrovnik zichtbaar waren voor vijandige troepen die bijgevolg dit cultureel erfgoed hadden moeten respecteren. Deze zaak is een van de weinige waarin reeds een veroordeling volgde voor het vernietigen van cultureel erfgoed. Sinds begin maart 2016 staat Ahmad Al Faqi Al Mahdi in het ICC terecht voor vernietiging van cultureel erfgoed in Timbuktu, Mali.

In de tweede plaats bestaat het internationaal rechtelijk beschermingssysteem voor cultureel erfgoed uit het vaststellen van strafrechtelijke maatregelen en de criminele verantwoordelijkheid. Het is zeer te betreuren dat alleen de Haagse Conventie (1954) strafrechtelijke maatregelen bevat. Het voorstel van de Sovjet-Unie bij het opstellen van deze Conventie in Den Haag, om een lijst specifieke misdrijven tegen cultureel erfgoed op te nemen, kon vooral op tegenkanting van de Verenigde Staten rekenen. Als tussenoplossing werd artikel 28 van de Haagse Conventie de lege doos die het vandaag nog steeds is.

Een gespecialiseerd internationaal tribunaal voor het berechten van deze specifieke misdrijven ontbreekt.

De derde, voorlopig nog ontbrekende poot waarop het beschermingssysteem van cultureel erfgoed zou moeten steunen is het grondig afdwingen van de bestaande regelgeving. Een gespecialiseerd internationaal tribunaal voor het berechten van deze specifieke misdrijven ontbreekt. Bijgevolg geven de huidige supranationale hoven een eigen interpretatie aan de erfgoedverdragen, iets wat de eenduidigheid en de kracht van het berechten van misdrijven tegen cultureel erfgoed niet ten goede komt.

De driepikkel die cultureel erfgoed internationaalrechtelijk moet beschermen, met als eerste poot de fysieke bescherming en de preventieve maatregelen, als tweede poot de strafrechtelijke maatregelen en de criminele verantwoordelijkheid, valt bij gebrek aan derde poot voorlopig dus nog omver.