La figure de Merlin et sa complexité

Katrien Levrie
Persbericht

La figure de Merlin et sa complexité

 

Merlijn de tovenaar: het leven zoals het was

 

Kennen we hem niet allemaal uit onze jeugd? Merlijn de tovenaar is voor ons een welbekend personage dat thuishoort tussen Disney-figuren zoals Sneeuwwitje en de Leeuwenkoning. Het is inderdaad Walt Disney die met zijn The Sword in the Stone een onvergetelijke hulde bracht aan deze legendarische figuur. Maar het is ook de link met koning Arthur en de ridders van de Ronde Tafel die van Merlijn een held uit onze kindertijd maakt. Weinigen zullen dan ook weten dat de geboorte van dit personage zich niet situeert in de 20ste eeuw, maar teruggaat tot in de middeleeuwen.

 

Laten we beginnen bij het begin: de geboorte van Merlijn. Volgens de legende danken we het bestaan van de grootste tovenaar aller tijden aan het vernuft van de duivel. Deze zou op een plan hebben zitten broeden om zijn eigen Antichrist te maken. Deze Antichrist zou de Apocalyps bespoedigen en zo het Rijk Gods ten val brengen. Voor de conceptie van dit creatuur viel zijn - sarcastisch - oog op een devote maagd. Op een nacht dringt de duivel binnen in de kamer van de onoplettende maagd en maakt haar zwanger. Het kind dat voortkomt uit deze verbintenis is Merlijn, die vanaf zijn geboorte reeds over mystieke krachten blijkt te beschikken. Van zijn vader, de duivel, krijgt hij namelijk de gave om alles wat er in het verleden gezegd en gebeurd is te kennen; van God krijgt hij – als compensatie voor zijn duivelse aspect – de gave om in de toekomst te kijken. Nu lijkt het natuurlijk voor de buitenwereld om een onbevlekte ontvangenis te gaan (Waar hebben we dit nog gehoord? Ahja, bij Christus himself.), vandaar dat men vaak over Merlijn spreekt als het kind zonder vader.

 

Wanneer is deze legende nu eigenlijk ontstaan? De eerste verwijzingen naar het personage van Merlijn zijn terug te vinden in de vroege lyrische traditie van Wales, meer bepaald in een verzameling van zes gedichten daterend uit de 6de eeuw. De meeste gedichten bevatten voorspellingen van Merlijn over het lot van de Britten. Als bindmiddel tussen de verschillende profetieën duiken er soms ook aanwijzingen op over het leven van deze befaamde wijze. Hij zou een teruggetrokken leven leiden in het Caledonische woud en is gek geworden naar aanleiding van een zware veldslag waarbij zijn meester gedood werd. In deze literaire traditie wordt het personage van Merlijn de tovenaar duidelijk gelijkgeschakeld met het middeleeuwse concept van de wilde man. Dit thema dook te pas en te onpas op in de literatuur uit die tijd en eveneens in het dagdagelijkse leven: zijn afbeelding werd teruggevonden op tapijten, potten, enz. Die fascinatie van de middeleeuwse mens voor "l'homme sauvage" (Denk aan onze fascinatie voor Robinson Crusoë die momenteel geëxploiteerd wordt in Expeditie Robinson!) kwam waarschijnlijk voort uit de primitieve angst voor al wat zich buiten het door de mens bewoonde territorium bevond. Deze angst transformeerde zich in fascinatie net zoals de wilde man evolueerde van afschrikmiddel tot curiositeit.

 

Om onze zoektocht naar de oorsprong van Merlijn verder te zetten maken we een serieuze sprong in de tijd, en wel richting de 12de eeuw. Aan het begin van deze eeuw ontmoeten we een Brit, Geoffroy de Monmouth genaamd. Hij is de auteur van de befaamde Historia Regum Britanniae, een geschiedenis van de Britse koningen. Hoewel dit werk duidelijk een historische inslag heeft dient men toch op te merken dat Geoffroy er niet voor terugdeinsde om af en toe fictieve elementen aan zijn kronieken toe te voegen, kwestie van het allemaal wat pittiger te maken natuurlijk. Het is aan dit werk dat Merlijn zijn bekendheid te danken heeft. Hier is er voor het eerst sprake van Merlijn de tovenaar als raadgever van koning Arthur. Ook in een ander werk, de Vita Merlini, voert Geoffroy de Monmouth zijn succespersonage op. In tegenstelling tot wat de titel laat uitschijnen, wordt de lezer enkel deelgenoot gemaakt van een welbepaalde episode uit het leven van Merlijn, namelijk zijn krankzinnigheid en zijn leven in het woud. Ook dit werk schetst Merlijn als een typische "homme sauvage" die voorspellingen doet. Van een link met koning Arthur is er nog geen sprake.

 

Waar haalde Geoffroy de Monmouth nu zijn inspiratie? Hij baseerde zich waarschijnlijk op het werk van een 6de eeuwse monnik, Gildas genaamd, die in zijn geschiedenis van Groot-Brittannië een zekere Ambrosius vermeldt. Na het terugtrekken van de Romeinen uit Groot-Brittannië valt het land ten prooi aan de plunderingen van vreemde volkeren zoals de Saksen. De Britten roepen de hulp in van een Romeinse legeraanvoerder, Ambrosius, die hen naar de overwinning zal leiden.

Nu vraagt u zich waarschijnlijk af wat dit nu precies met Merlijn te maken heeft? Dit wordt al snel duidelijk wanneer we onze tijdreis verderzetten tot in de 9de eeuw. Hier ontmoeten we een andere schrijver, Nennius, die verhaalt hoe de Britse koning Guortigern een toren wilde bouwen, maar hoe deze elke nacht opnieuw instortte. Guortigern raadpleegde zijn waarzeggers en die meldden hem dat de fundamenten van de toren gedrenkt moesten worden in het bloed van het kind zonder vader. Dit kind wordt gevonden en blijkt Ambrosius te heten.

 

U kan al raden wat er nu is gebeurd: het hele kind-zonder-vader-gegeven doet bij Geoffroy een belletje rinkelen en hij vindt er niks beters op dan Ambrosius met de legendarische figuur Merlijn te verbinden. Vervolgens nemen de Franse romanschrijvers, zoals Robert de Boron, het hele Merlijn-concept over en breien er hier en daar nog wat fantasierijke episodes aan vast. Zo zijn er bijvoorbeeld over de dood van Merlijn verschillende varianten bekend waaronder de befaamde opsluiting van Merlijn in een luchtkasteel door de tovenares Viviane.

 

Nu kan men zich natuurlijk de vraag stellen hoe die hele legende van Merlijn als diabolisch wezen juist ontstaan is? Ook hier zijn interessante hypothesen over geformuleerd. Volgens een zekere Henri d'Arbois de Jubainville is Merlijn helemaal geen mens, maar een stad! Op zich een erg bizarre hypothese. Deze geleerde betoogt dat we Merlijn te danken hebben aan een taalverwarring. Er zou in Wales, ten tijde van de Romeinse overheersing, een stad bestaan hebben die Maridunum heette, wat betekent "versterkte stad van de zee". Nu is deze naam onder invloed van enkele klankveranderingen gecontraheerd tot Merdin, waarbij het achtervoegsel -din "versterkte stad" betekende. Spijtig genoeg is deze betekenis van het suffix verloren gegaan en de bewoners begonnen te spreken over de stad van Merdin. Met als gevolg dat men zich begon af te vragen wie die Merdin nu eigenlijk was. (Merdin is Welsch voor Merlijn.) En zo werd er een verhaal rond de naam Merdin - en aldus Merlijn - verzonnen.

 

Eigenlijk kunnen we dus besluiten dat de figuur van Merlijn ontstaan is uit een reeks van misverstanden, het ene al wat erger dan het andere. Het is waarschijnlijk echter dankzij deze misconceptie dat de figuur van Merlijn de tovenaar ook nu nog ronddwaalt hier op aarde.

Bibliografie

Henri d'Arbois de Jubainville, "Merlin est-il un personnage réel? ou les origines de la légende de Merlin", Revue des questions historiques, 5, 1868, pp. 559-569;

 

Henri d'Arbois de Jubainville, Introduction à l'étude de la littérature celtique, Paris, Thorin, 1883;

 

Robert Baudry, Le mythe de Merlin, Rennes, Terre de Brume, 2007;

 

Jacques Berlioz, "Un héros incontrôlable? Merlin dans la littérature des exempla du Moyen Age occidental", dans: Merlin et les vieux sages d'Eurasie, Grenoble, Université de Grenoble III. Centre de recherche sur l'imaginaire, 2001, pp. 31-39;

 

Richard Bernheimer, Wild men in the Middle Ages:  a study in art, sentiment and demonology, Cambridge, Harvard University Press, 1952;

 

Howard Bloch, "Le rire de Merlin", Cahiers de l'Association des études françaises, 37, 1985, pp. 7-21;

 

Howard Bloch, Etymologie et généalogie. Une anthropologie littéraire du Moyen Age français, Paris, Seuil, 1989;

 

Christine Bord, "D'Ambrosius à Merlin. La genèse mythologique d'une légende", Razo, 12, 1992, pp. 25-40;

 

Robert de Boron, Merlin. Roman du XIIIe siècle. Présenté, traduit et annoté par Alexandre Micha, Paris, Flammarion, 1994 ;

 

Auguste Bouché-Leclercq, Histoire de la divination dans l'Antiquité. 1: Introduction, divination hellénique: méthodes, Aalen, Scientia, 1978 ;

 

Auguste Bouché-Leclercq, Histoire de la divination dans l'Antiquité. 4: Divination italique: étrusque,latine, romaine; index général, Aalen, Scientia, 1978 ;

 

Rachel Bromwich, Trioedd Ynys Prydein: the Welsh triads, Cardiff, University of Wales press, 1961;

 

Sylvia Brugger-Hacket, Merlin in der europäichen Literatur des Mittelalters, Stuttgart, Helfant Verlag, 1991;

 

Ernst Brugger, "L'enserrement Merlin: Studien zur Merlinsage: I. Die Quellen und ihr verhältnis zueinander", Zeitschrift für französische Sprache und Literatur, 29, 1906, pp. 56-140;

 

Kate Cooper, "Merlin romancier: paternity, prophecy and poetics in the Huth-Merlin", Romanic Review, 77, 1986, pp. 1-24;

 

Bro Danielsson, "The Birth of a Legend: The Origin and Early Development of the Merlin Legend", dans: Studies in English Philology, Linguistics and Literature, Mats Ryden et Lennart A. Björk (eds.), Stockholm, Almqvist och Wiksell International, 1978, pp. 21-35;

 

Christopher Dean, A study of Merlin in English literature from the Middle Ages to the present day: The devil's son, New York, Lewiston, 1992;

 

Georges Dumézil, L'idéologie tripartite des Indo-Européens, Bruxelles, Latomus, 1958;

 

Georges Dumézil, Mythe et épopée. 1: L’idéologie des trois fonctions dans les épopées des peuples indo-européens, Paris, Gallimard, 1974;

 

Georges Dumézil, Mythe et épopée. 2: Types épiques indo-européens : un héros, un sorcier, un roi, Paris, Gallimard, 1971;

 

Edmond Faral, La légende arthurienne, Paris, Champion, 1929, t. II et III;

 

Jean-Marie Fritz, Le discours du fou au Moyen Age, Paris, PUF, 1992;

 

M. Gaster, "The legend of Merlin", Folklore, 16, 4, 1905, pp. 407-427;

 

Yoko Hemmi, "Merlin in Celtic Traditions", dans: Merlin et les vieux sages d'Eurasie, Grenoble, Université de Grenoble III. Centre de recherche sur l'imaginaire, 2001, pp. 23-30;

 

Danièle James-Raoul, Merlin l'enchanteur. Choix des textes, traduction, présentation et notes par Danièle James-Raoul, Paris, Librairie Générale Française, 2001;

 

Alfred Owen Hughes Jarman, The Legend of Merlin, Cardiff, 1976;

 

Emma Jung et Marie-Louise von Franz, The Grail Legend, Boston, Sigo Press, 1986;

 

Karl Kerényi, The Gods of the Greeks, London, Thames, 1951, pp. 42-45;

 

Alexander Haggerty Krappe, "La naissance de Merlin", Romania, 59, 1933, pp. 12-23;

 

Alexander Haggerty Krappe, "Le rire du prophète", dans: Studies in English philology, a miscellany in honor of Frederick Klaeber, K. Malone et M. B. Ruud (eds.), Minneapolis, University of Minnesota Press, 1929, pp. 340-361;

 

Merlin et les vieux sages d'Eurasie, Grenoble, Université de Grenoble III. Centre de recherche sur l'imaginaire, 2001;

 

Claude Lecouteux, "Merlin: éléments d'étude stratigraphique", dans: Merlin et les vieux sages d'Eurasie, Grenoble, Université de Grenoble III. Centre de recherche sur l'imaginaire, 2001, pp. 9-22;

 

Françoise Le Roux et Christian-Joseph Guyonvarc'h, Les druides, Rennes, OGAM, 1978;

 

Françoise Le Roux et Christian-Joseph Guyonvarc'h, La civilisation celtique, Rennes, OGAM, 1979;

 

Ferdinand Lot, "Etudes sur Merlin", Annales de Bretagne, t. 15, 1899-1900, pp. 325-347 et 505-537;

 

Osgar Duncan Macrae-Gibson (ed.), Of Arthour and of Merlin. 1. Text, Oxford, Oxford University Press, 1973;

 

Osgar Duncan Macrae-Gibson (ed.), Of Arthour and of Merlin. 2. Introduction, notes, glossary, Oxford, Oxford University Press, 1979;

 

Jean Markale, Merlin l'enchanteur, Paris, Retz, 1981;

 

Alexandre Micha, Etude sur le Merlin de Robert de Boron, Genève, Droz, 1980;

 

Jean Rousset, La littérature de l'âge baroque: Circé et le paon, Paris, Corti, 1972;

 

Albert Schulz, Die Sagen von Merlin: mit alt-wälschen, bretagnischen, schottischen, italienischen und lateinischen Gedichten und Prophezeihungen Merlins, der Prophetia Merlini des Gottfried von Monmouth, und der Vita Merlini, lateinischem Gedichte ..., Halle, Waisenhaus, 1853;

 

Annette Seemann, Merlin: Prophet und Zauberer?: eine komparatistische Studie zum Merlin-Stoff im Mittelalter und im 19. und 20. Jahrhundert unter besonderer Berücksichtigung der Identitätsproblematik, Frankfurt am Main, Johann Wolfgang Goethe-Universität, 1987;

 

Philippe Sellier, “Qu'est-ce qu'un mythe littéraire”, dans: Essais sur l'imaginaire classique, Paris, Champion, 2005, pp. 17-32 ;

 

Nicolai Tolstoy, The Quest for Merlin, Boston, Little, Brown and Company, 1985;

 

Yves Vadé, "Merlin, l'oiseau et le merlin", dans: Merlin et les vieux sages d'Eurasie, Grenoble, Université de Grenoble III. Centre de recherche sur l'imaginaire, 2001, pp. 41-56;

 

Philippe Walter, "Merlin, l'enfant-vieillard", dans: L'imaginaire des âges de la vie, D. Chauvin (éd.), Grenoble, ELLUG, 1996, pp. 117-133;

 

Philippe Walter, Le devin maudit, Grenoble, Ellug, 1999;

 

Philippe Walter, Merlin ou le savoir du monde, Paris, Imago, 2000;

 

H. D. L. Ward, "Lailoken (or Merlin Silvester)", Romania, 22, 1893, pp. 504-526;

 

Paul Zumthor, Merlin le prophète: un thème de la littérature, polémique de l’historiographie et des romans, Genève, Slatkine reprints, 1973.

Universiteit of Hogeschool
Taal- en Letterkunde: master in de westerse literatuur
Publicatiejaar
2008
Share this on: