Scriptiebank is een vrij toegankelijke online databank. Deze bevat alle artikels en full text scripties van deelnemende bachelors en masters aan de Vlaamse Scriptieprijs.

Endometriose en zijn ware aard: ‘De sensibilisering van endometriose bij de bevolking’

Talia Özçelik
Deze bachelorproef toont aan dat de omkadering rond de aandoening endometriose ontbreekt. Deze literatuurstudie creëert een beter beeld over wat endometriose is, welke mogelijke klachten en oorzaken er zijn en welke verschillende soorten behandelingen toegepast kunnen worden.

Zelfmanagement bij hartfalen

Sophie Geens
Hartfalen is een klinisch syndroom waarbij de pompfunctie van het hart van de patiënt tekort gaat schieten. Door de vergrijzing van de bevolking zal de prevalentie van deze aandoening alleen maar stijgen. In België lijdt naar schatting 4% van de bevolking hieraan. Er lijden 200.000 mensen aan hartfalen. De levenskwaliteit zal dalen op verschillende vlakken, zowel op het sociale aspect als op het psychisch en lichamelijke aspect. Leefstijlinterventies zijn cruciaal om de impact van hartfalen op het dagelijkse leven en complicaties van de ziekte te verminderen. Deze interventies gaan over de inname van medicatie, het aanpassen van de voeding en het opvolgen van het gewicht. Bij therapieontrouw van medicatie gaan de klachten verergeren. Als de patiënt zich niet houdt aan de vochtbeperking, zal de vochtretentie en stuwing niet minderen. De lichamelijke activiteit gaat zorgen voor een betere inspanningstolerantie. Het is van groot belang dat de kortademigheid en de vermoeidheid afnemen. Er moet ingezet worden op therapietrouw van zowel medicatie als dieet. Vaak is dit voor patiënten zeer complex en gebeuren hier regelmatig fouten op. Dit kan verklaard worden doordat in de medische zorg de focus ligt op de farmacologische therapieën in plaats van op het ondersteunen van de patiënten bij gedragsverandering.

Vraagstelling: Literatuurstudie naar hoe zelfmanagement bij patiënten met hartfalen in de thuissituatie door eerstelijnsverpleegkundigen bevorderd kan worden.

Zoekstrategie: Tussen 4 oktober en 7 mei werd er een literatuurstudie uitgevoerd met behulp van volgende gecomputeriseerde databanken: PubMed, UpToDate, Google Scholar, Nature, ScienceDirect en Springerlink. De zoektocht leverde in totaal 41 artikels op waaronder 26 reviews, 5 richtlijnen, 1 secundaire kwalitatieve analyse, 1 kwalitatieve studie en 8 tijdschriften.

Resultaten: Uit een literatuurstudie is gebleken dat mHealth-apps een positieve invloed hebben in de eerstelijnszorg, de zorgkosten en de levenskwaliteit. Patiënten gaan op een actievere manier hun gezondheid in eigen handen nemen. Zelfmanagementgedrag wordt beïnvloed door de leeftijd, de comorbiditeit, de functionele/emotionele en economische status. Het prototype HeartCheck wil de competenties van de zorgvragers verhogen door op verschillende factoren in te spelen. Deze competenties gaan over communicatie, aandacht voor de mentale en fysieke toestand, adaptatie aan ziektesymptomen en integratie in de maatschappij. Wederzijds vertrouwen tussen de patiënt en zorgverlener is hierbij essentieel.

Conclusie: Zonder effectief management zal de levenskwaliteit van de patiënt met hartfalen verslechteren. Voor de zorgverleners bieden mHealth-interventies de mogelijkheid om bijwerkingen te monitoren en verbeterpunten te identificeren. Ook de vrijheid en draagbaarheid van mobiele apparaten bieden een enorm potentieel aan patiënten en zorgverleners. Er kan gesteld worden dat gepersonaliseerde zorg door de app een meerwaarde vormt voor patiënten met hartfalen binnen een bestaand zorgplan. Elke patiënt heeft specifieke zorgvragen die niet alleen bepaald worden door de mate van de ernst en het type van HF maar ook door de individuele vaardigheden en context van de patiënt.


Hoe kan een kleuteronderwijzer(es) kanker een plaats geven in de klas wanneer hij/zij hiermee te maken krijgt?

Sarah Bovens
Juf Griet staat al 30 jaar in het kleuteronderwijs. Ze kreeg in haar loopbaan meermaals te maken met kanker. Doorgaans betrof het familieleden van kleuters, maar tijdens de schooljaren 2013-2014 en 2014-2015 had ze een kleuter met kanker in de klas. Het verhaal van juf Griet is helaas geen alleenstaand geval.

De meerwaarde van meditatie bij de behandel- en herstelfase van kanker

Silke Duym Jolien Wieme Silke Duym Margot De Bruyn
De meerwaarde van meditatie bij de behandel- en herstelfase bij kanker. Bachelorproef geschreven in 2020-2021 door studenten ergotherapie.

Screening of first-degree relatives of patients with an aortic aneurysm and/or bicuspid aortic valve: is it worthwhile?

Roger Van Schoor
Meer en meer genen lijken verantwoordelijk voor hartslagaderverbreding. Door systematische familiale screening willen we familiale clustering aantonen en het nut van screening promoten.

Heeft COVID-19 een impact op spoedopnames?

Edeline Kaze Jef Vanderoost
The COVID-19 pandemic has changed the organization of health care in Belgium. Different strategies have been implemented in order to avoid hospital crowding. Moreover, patients were advised not to come to the emergency department (ED) for non-urgent reasons. Meanwhile, recent studies have shown a decrease in ED visits for urgent conditions.

The aim of this study was to describe the impact of the COVID-19 pandemic on ED admissions for urgent diagnoses.

Slachtoffers van onwetendheid: de kennisverspreiding van het DES-hormoon in België sinds 1971

Antje Van Kerckhove
In 1947 veroverde het DES-hormoon de wereld. Het middel had als doel om miskramen te voorkomen en werd wereldwijd voorgeschreven aan miljoenen zwangere vrouwen. In 1971 werd echter aangetoond dat DES schadelijk was voor de baby’s – zogenaamde DES-kinderen – die als foetus werden blootgesteld aan het hormoon. Vooral DES-dochters liepen ernstige medische risico’s. Bovendien bleek jaren later dat ook DES-kleinkinderen vatbaar zijn voor de gevolgen van DES. Dat het middel in België nog zeker tot 1977 – zes jaar nadat de schadelijkheid formeel werd bewezen – is toegediend aan zwangere vrouwen, doet onderzoeksjournaliste Greet Pluymers en enkele DES-dochters vermoeden dat er sprake is van een dofpotoperatie. Een mogelijke doofpotaffaire zou inderdaad verklaren waarom DES op de markt bleef tussen 1971 en 1977, maar het vormt geen antwoord op de vraag waarom er vandaag in België – in tegenstelling tot bijvoorbeeld de Verenigde Staten en Nederland – nog steeds weinig kennis bestaat of circuleert over de schadelijke gevolgen van het hormoon. Dit onderzoek gaat daarom na hoe de late en gebrekkige kennisverspreiding van DES binnen de Belgische context verklaard kan worden. Daarbij neemt deze studie afstand van een mogelijke doofpotaffaire door op zoek te gaan naar een lange termijn verklaring voor de relatieve onwetendheid over DES in België. Om een licht te werpen op het gebrek aan kenniscirculatie vanaf 1971 steunt dit onderzoek op inzichten uit de agnotologie, een theorie die ervan uitgaat dat onwetendheid het gevolg is van culturele constructies.
Zo bood deze studie – aan de hand van interviews met DES-dochters en gynaecologen – inzicht in de langdurige mechanismen en processen die aan de basis liggen van de gebrekkige kennisverspreiding van het DES-hormoon in België. De rol van ouders en artsen – die golden als de belangrijkste informatieverstrekkers in het kennisproces van DES-dochters – bleek daarbij cruciaal. Indien zij niet optraden als kennisverspreiders, bleven DES-dochters vaak jarenlang in het ongewisse over hun DES-identiteit. Verder wees de analyse uit dat DES-dochters in grote mate afhankelijk waren van toeval voor een juiste diagnostisering. Daarnaast bleek dat de schuldgevoelens van sommige DES-moeders – zeker in huishoudens waar een sterk taboe rustte op infertiliteit – het stilzwijgen van DES in de hand werkte. Op die manier toonde ik aan dat het stigma rond onvruchtbaarheid bijdroeg aan de onwetendheid over DES en niet alle ouders zomaar fungeerden als doorgeefluiken van kennis. Tot slot toonde dit onderzoek aan dat ook gynaecologen hun rol als informatieverstrekkers niet systematisch opnamen. Zo bleek dat artsen – ondanks het feit dat ze sinds het begin van de jaren 1970 geïnformeerd waren over de schadelijkheid van DES – het probleem leken te onderschatten. Deze onderschatting was het gevolg van de overtuiging dat het DES-probleem vanaf het einde van de jaren 1980 verleden tijd was. Maar deze opvatting alleen kon het kennistekort niet verklaren. Andere redenen waren de onzichtbaarheid van het DES-probleem in combinatie met de moeilijkheid om congenitale afwijkingen te linken met het hormoon, de exclusieve focus op fertiliteitsproblemen, het gebrek aan ondervraging
94
en de mogelijk nauwe relaties tussen UCB en de medische wereld. Op die manier ontstond er een algemeen gebrek aan belangstelling voor het DES-probleem in medische kringen in België waar DES-dochters tot op heden het slachtoffer van zijn.

ASS in het kleuteronderwijs: Ondersteuningsnoden binnen de klascontext

Johan D'hooge
Onderzoek naar de noden en draagkracht in de kleuterklas met een kleuter met al dan niet vastgestelde ASS.

The anti-inflammatory effect of mesenchymal stem cell-derived extracellular vesicles in Niemann-Pick disease type C1 pathology

Jonas Castelein
De ziekte van Niemann-Pick type C1 is een ziekte waarvoor tot op heden enkel symptomatische behandelingen beschikbaar zijn. In deze scriptie wordt een behandeling gebaseerd op mesenchymale stamcel-afgeleide extracellulaire vesikels getest.

Welbevinden van cognitief sterke leerlingen in het basisonderwijs. Bevindingen in gespecialiseerd lager onderwijs tegenover traditioneel onderwijs

Kathleen Vander Cruyssen
Er werd een online cross-sectioneel onderzoek uitgevoerd naar het welbevinden bij 187 leerlingen in het Vlaamse basisonderwijs met een vermoeden of diagnose van hoogbegaafdheid en hun ouders.
Onderzoeksvraag: “Is het welbevinden van cognitief sterke leerlingen die naar een gespecialiseerde lagere school (GS) gaan hoger dan dat van vergelijkbare leerlingen in traditionele scholen?” Aanvullend werd het verschil onderzocht in een gewone school: zonder extra ondersteuning (GO), individueel aangepast moeilijker leeraanbod (IA), deeltijds les met ontwikkelingsgelijken (‘peer grouping’) (PG) en individueel leeraanbod met ook ‘peer grouping’ (IP). Ten slotte werden leerlingen die één of meer leerjaren overgeslagen hebben vergeleken met niet-versnelde leerlingen.
Deze studie toont d.m.v. ANOVA en contrasten grote en positieve effecten aan van ondersteuningsmaatregelen (GS+IA+PG+IP) aan cognitief sterke leerlingen (versus GO) op algemeen welbevinden (d=2.369), tevredenheid algemeen (d=2.819), dingen die je hebt (d=1.825), waar je goed in wil zijn (d=2.616), die je dagelijks doet (d=1.42), relaties (d=1.589)) en schools welbevinden (welbevinden (d=2.977), tevredenheid (d=2.72), betrokkenheid (d=2.472), sociale relaties (d=1.823), pedagogisch klimaat (d=2.906)) en prestaties op rekenen (d=2.638). Volgens de ouders gaat meer aandacht naar kennis verwerven (d=1.623), sociaal emotioneel welzijn (d=3.187), differentiatie en persoonlijke aanpak (d=5.369) en creativiteit (d=2.179) dan in andere scholen.
Wanneer cognitief sterke leerlingen in een gespecialiseerde school (GS) les volgen, zijn er bijkomende positieve en grote effecten tegenover ondersteuning in gewone school (IA+PG+IP) op totaal schools welbevinden (d=.983), schoolse tevredenheid (d=.98), betrokkenheid (d=.994), sociale relaties (d=2.177) en pedagogisch klimaat (d=.98). Op academisch zelfconcept, prestaties voor rekenen (d=-1.354) en begrijpend lezen (d=-1.048) is er een negatief effect (referentiegroep verschilt). Er gaat meer aandacht naar kennis verwerven (d=3.402), sociaal emotioneel welzijn (d=3.916), differentiatie en persoonlijke aanpak (d=3.464) en creativiteit (d=2.820).
Er werden geen significante verschillen aangetoond tussen leerlingen in een gewone school met beide maatregelen versus één maatregel (IP vs IA+PG) en tussen versnelde leerlingen versus niet-versnelde leerlingen.

Zelfmanagement als kernactiviteit van persoonsgerichte MS-zorg. Zorgen waar het moet, ontzorgen waar het kan.

Elise Peeters
Zelfmanagement wordt aanzien als een belangrijke sleutel tot effectieve MS-zorg en impliceert dat de relatie tussen zorgverlener en zorgvrager vanuit een nieuw referentiekader moet bekeken worden. Maar zijn zorgverstrekker en patiënt voldoende empowered om de nieuwe rol, die hen toebedeeld is, op te nemen? Daarom wordt een kwalitatief uitgewerkt concept (SOCK) aangeboden dat alle sterke factoren van optimaal zelfmanagement omvat. Zodat de moderne zorgverlener een houvast heeft om de patiënt vanuit een holistische visie te versterken in het beheersen van zijn ziekte.

Secondary debulking surgery in ovarian cancer: a critical appraisal

Ottilie Derycke
Met deze thesis werd de rol van chirurgie in de behandeling van eierstokkanker na herval gerevalueerd naar aanleiding van de publicatie van twee grote gerandomiseerde studies die de overleving vergeleken tussen vrouwen die chirurgie ondergingen en vrouwen die geen chirurgie ondergingen.

De ondersteunende rol van de school bij de specifieke onderwijsbehoeften van kinderen met kanker: een systematische literatuurstudie

Pauline Verhelst
De terugkeer naar school tijdens of na de behandeling van kanker is zowel voor het kind, zijn/haar gezin en de school een mijlpaal. Ondanks de verschillende uitdagingen waar kinderen met kanker bij hun terugkeer naar school mee geconfronteerd kunnen worden, blijkt ongeveer de helft van deze kinderen onvoldoende onderwijsondersteuning te krijgen. Het doel van deze masterproef was daarom (1) om via een systematische literatuurstudie de specifieke onderwijsnoden van kinderen met kanker in kaart te brengen en (2) om concrete handvaten voor de onderwijspraktijk uit te schrijven.

Een hart uit de duizend: Een beschrijvende studie met passende website omtrent de noden die ouders hebben na het krijgen van de diagnose van een congenitale hartafwijking bij hun kind

Emma Manssens Delphine Cnudde
Deze bachelorproef peilt naar de informatiebehoefte na het vermoeden of de vaststelling van een aangeboren hartafwijking. De onderzoeksvraag kan als volgt opgesteld worden: Wat is de informatiebehoefte van koppels na de vaststelling van een aangeboren hartafwijking en hoe kan een website aan deze behoefte voldoen?

Weer een ervaring rijker!

Yentl Praet Dorien Dewilde Eva Malfliet Tujar Matthys Maud Melkebeke Luna Van Watermeulen
De scriptie gaat over de ervaringswerker en zijn plaats in een team, werkzaam binnen de geestelijke gezondheidszorg. Meer specifiek gaat het over een werkvorm die hiervoor ontwikkeld werd, waarbij er gefocust wordt op de samenwerking binnen een team.

(On)zichtbaar autisme; Een eindwerk over autisme en over hoe dit sneller (h)erkend kan worden bij meisjes

Lien Van Hoydonck
In deze scriptie ben ik op zoek gegaan naar een antwoord op volgende onderzoeksvraag: 'Hoe kunnen we autisme bij meisjes sneller (h)erkennen?'. Ik bedacht deze vraag vanuit
mijn eigen interesse, ervaring en diagnose. Antwoorden vond ik in heel wat literatuur én in interviews met meisjes met ASS en een expert. Uit al die verzamelde informatie bleek dat ASS bij meisjes vaak moeilijker en later (h)erkend wordt, wat mede komt doordat zij goed kunnen camoufleren en compenseren. Dit kan wel degelijk tot problemen leiden. Hierdoor ging ik op zoek naar kenmerken waaraan we autisme kunnen herkennen. Eerst
schets ik een algemeen beeld, waarna ik dieper in ga op ASS bij meisjes. Het resultaat van deze bachelorproef is een ontwerp, zijnde een infoboekje, dat gebaseerd is op de
informatie uit mijn onderzoek. Dit boekje is bedoeld voor professionals en bij uitbreiding kan het ook relevant zijn voor iedereen die meer over ASS te weten wil komen in het
algemeen en/of over hoe dit zich specifiek kan uiten bij meisjes. Met dit ontwerp hoop ik bij te dragen aan een autismevriendelijkere wereld en een correcter, minder stereotiep beeld van ASS (bij meisjes).

Acinar-to-ductal metaplasia in pancreatic cancer: regulatory genes as a target for therapy

Jan-Lars Van den Bossche
Tot op vandaag blijft pancreaskanker een ongeneeslijke ziekte met weinig hoopgevende statistieken. De wetenschap heeft aangetoond dat een proces waarbij cellen in de pancreas van identiteit veranderen, dat zich voordoet bij o.a. chronische ontsteking, aan de oorsprong kan liggen van pancreaskanker. In deze studie werd onderzocht welke genen hierin een rol spelen, met het oog op het blokkeren van dit proces om zo de ontwikkeling van pancreaskanker te voorkomen.

The obstacle course of biomarker discovery research for mood disorders - Protocol optimization and validation for peripheral blood mononuclear cell and neuronal extracellular vesicle isolation and analysis

Selina Cortoos
Deze masterproef onderzocht nieuwe mogelijkheden voor de differentiële diagnose van unipolaire majeure depressie en de bipolaire stoornis. Zowel optimalisaties als validaties van verschillende protocols werden uitgevoerd om de verzameling en analyse van perifere mononucleaire cellen en neuronale extracellulaire vesikels verder op punt te stellen. Hierbij lag de focus op het ontwikkelen van een nieuwe potentiële bron van biomerkers voor stemmingsstoornissen.

De roze wolk, schijn bedriegt: De betrokkenheid van de vroedvrouw bij postpartum psychosen

Sophie Van hoof
We zijn op de hoogte van de screenings- en behandelingsmethodes voor een postpartum depressie maar hoe zit het met deze voor een postpartum psychose? Deze aandoening kan tenslotte ook optreden en ook deze vrouwen hebben recht op kwaliteitsvolle zorg, zorgverlening die zich specifiek focust op hun noden en behoeften. Ik wil met andere woorden voor de vroedvrouwen van de toekomst trachten een overzicht te schetsen van hoe om te gaan met deze diagnosestelling.

Hoe kunnen secundaire scholen binnen creatieve en/of praktijkvakken inzetten op toegankelijk onderwijs voor leerlingen met een Autismespectrumstoornis?

Valerie van den Berg
In dit onderzoek ga ik op zoek naar manieren waarop scholen inclusief onderwijs kunnen organiseren voor leerlingen met een ASS binnen praktijk- en/of creatieve vakken. Het resultaat is een uitgebreide tabel met een overzicht van allerlei praktische aanpassingen die eenvoudig geïmplementeerd kunnen worden in de dagelijkse praktijk van deze vakken.

De onzichtbare ziekte die tienduizenden Belgen treft: De gevolgen van de niet-erkenning van ME/CVS als een neurologische aandoening

Charlotte Deprez
Deze masterproef onderzoekt de gevolgen van de niet-erkenning van ME als neurologische aandoening in België.

Development and preclinical evaluation of new theranostic anti-CXCR4 radiopharmaceuticals

Karen Leys
Achtergrond: Onderzoek heeft aangetoond dat de CXCR4 receptor een belangrijke rol speelt bij verschillende kankertypes. Bestaande beeldvorming en therapie zijn niet afdoende voor de nood die er vandaag is. Een theranostische aanpak die specifiek is voor deze receptor zou een waardevolle bijdrage leveren aan de opsporing en behandeling van verschillende kankertypes. DV1-K-(DV3), een peptide bestaande uit D-aminozuren en CXCR4-antagonist, is een interessant vector molecule voor de ontwikkeling van radiofarmaceutische preparaten in een “theranostische setting” en zal voor het eerst getest worden als vectormolecule.
Doel: In deze thesis werd het peptide DV1-K-(DV3) geëvalueerd als vector molecule voor de ontwikkeling van zowel diagnostische en therapeutische radiofarmaceutische preparaten. Er werden verschillende testen mee gedaan om na te gaan of DV1-K-(DV3) geschikt is als theranostische vector met CXCR4 als doelwit.
Methoden: Verschillende modificaties werden toegepast op het peptide, zoals synthese van een FITC-derivaat, een aluminiumfluoride-RESCA-derivaat, aluminiumfluoride en gallium NOTA-derivaten en lutetium en lanthanium DOTA-derivaten. Daarna werden de constructen gelyofiliseerd en werden er affiniteitstesten en calcium-binding proeven op uitgevoerd. De in vivo farmacokinetiek en CXCR4- specificiteit van [18F]AlF-NOTA-DV1-K-(DV3) werden geëvalueerd in gezonde muizen met behulp van µPET/CT en een ex vivo biodistributie studie werd uitgevoerd.
Resultaten: De verschillende modificaties werden succesvol uitgevoerd, met uitzondering van de complexatie van stabiel lanthanium met DOTA-DV1-K-(DV3) en de complexatie van stabiel aluminiumfluoride met NOTA-DV1-K-(DV3). De affiniteitstest en calcium-binding proef toonden aan dat alle geteste constructen inhibitors van CXCR4 waren, weliswaar met verschillende affiniteit en activiteit voor deze receptor. [18F]AlF-NOTA-DV1-K-(DV3) werd succesvol geproduceerd, maar het HPLC analysesysteem moet nog verder geoptimaliseerd worden. De in vivo testen op gezonde muizen toonden gunstige farmacokinetische eigenschappen van [18F]AlF-NOTA-DV1-K-(DV3), zoals snelle klaring en renale excretie. Bovendien werd opname in de lever (waar er zich CXCR4 expressie bevindt) succesvol geblokt met AMD3100, een CXCR4 antagonist, wat duidt op specificiteit van de tracer voor CXCR4 in vivo.
Conclusie: Voorlopige resultaten suggereren dat DV1-K-(DV3) een veelbelovend vectormolecule is voor de ontwikkeling van nieuwe diagnostische en therapeutische radiofarmaceutische preparaten met CXCR4 als doelwit.

(On)beperkt (t)huis

Jill Van Doninck
De scriptie '(On)beperkt (t)huis' bestudeert de aspecten die bijdragen tot het welbevinden van meerderjarigen met een licht verstandelijke beperking in kleinschalige woonvormen. De opkomst van kleinschalige woonvormen sluit aan bij de groeiende inclusie-gedachte én de veranderingen in de zorg. Dit resulteert in de creatie van een kleinschalige woonproject voor 8 meerderjarigen met een licht verstandelijke beperking waarin het thuisgevoel en welbevinden van de bewoners centraal staat.

Invloed van pre-analytische variabelen op de kwaliteit van varkensweefsel via RNA en weefselmorfologie

Violette Ladjal
Deze bachelorproef heeft 2 hoofddoelen. Enerzijds worden verschillende preanalytische variabelen onderzocht, die mogelijks een invloed kunnen hebben op
de kwaliteit van lever- en longweefsel. Het betreft 3 variabelen, namelijk de
weefselgrootte, invriestijd en invriesmethode. Anderzijds wordt via de herhaalde
ontdooi- en vriescycli de degradatie in functie van de tijd voor zowel long- als
leverweefsel onderzocht en opgevolgd gedurende 10 weken.
Het nagaan van de weefselkwaliteit bij beide onderzoeken gebeurt experimenteel
via een moleculaire bepaling van de OD ratio en RIN-score, en een histologische
beoordeling van cryocoupes.

Development of a protocol to question health care workers considering oral thrush in infants

Anne-Florence Moerman
In deze scriptie zijn 15 richtlijnen samengevat omtrent de diagnose en behandeling van spruwinfecties bij zuigelingen en moeders. Daarnaast zijn er op basis van die samenvatting vragenlijsten opgesteld voor apothekers, vroedvrouwen, arsten en pediaters omtrent spruwinfecties tijdens de borstvoedingsperiode. De scriptie bevat ook een berekening van de gemiddelde kost van de behandeling van een spruwinfectie van een kind.