Kraamzorg, structureel verankerd binnen de thuiszorg

Katrien
Beeckman

Kraamzorg, structureel verankerd binnen de Thuiszorg

 

Visies en verwachtingen van betrokken organisaties met betrekking tot het besluit van de Vlaamse regering betreffende de integratie van de kraamcentra binnen de diensten voor gezinszorg

 

Beeckman K., Cosyns M., Derese A.

 

Inleiding

 

Deze thesis kwam tot stand naar aanleiding van het besluit van de Vlaamse regering van 17 januari 2003 waarbij beslist werd de kraamcentra te integreren binnen de bestaande diensten voor gezinszorg.

 

De kraamcentra, allen ontstaan in de jaren ’80 werkten met tewerkstellingsprojecten zoals DAC (Derde Arbeiders Circuit). In 2000 werd met de Vlaamse Intersectorale Akkoorden besloten een einde te stellen aan de précaire werknemersstatuten waaronder de DAC statuten. Zo moest ook voor de kraamcentra een oplossing gezocht worden.

 

Naast de integratie van de kraamcentra binnen de bestaande diensten voor gezinszorg, werd besloten per provincie een expertisecentrum kraamzorg op te starten. Deze centra hebben als doel de expertise die de kraamcentra gedurende 20 jaar hebben opgebouwd verder uit te breiden zowel naar professionelen als naar niet professionelen toe.

 

Vraagstelling

 

Dit thesisonderzoek peilt naar de mogelijkheden, de beperkingen, de voor- en de nadelen van deze nieuwe organisatiestructuur waarbij kleine autonome organisaties opgenomen worden binnen grote, reeds lang bestaande organisaties.

 

Onderzoeksmethode

 

Dit onderzoek doet beroep op Key Informant Interviews. Tussen september en december 2003 werden de coördinatoren van de expertisecentra, verantwoordelijken van de kraamcentra, verantwoordelijken van de thuiszorgcentra en verantwoordelijken binnen Team Thuiszorg aan de Vlaamse overheid geïnterviewd.

Stellingen die naar voor kwamen uit deze interviews werden daarna bevraagd op een vijf - puntenschaal bij 76 organisaties uit de welzijnssector. (thuiszorgcentra, expertisecentra, kraamcentra en geboortehuizen)

 

Resultaten

 

De invulling van kraamzorg in Vlaanderen verschilt sterk tussen de diensten voor gezinszorg. Er zijn geen wettelijke bepalingen vastgelegd waaraan goede kraamzorg moet voldoen. Hetzelfde geldt voor de opleiding tot kraamverzorgende, wettelijk volstaat het een opleiding tot verzorgende of polyvalent verzorgende te volgen om als kraamverzorgende aan de slag te kunnen. In deze opleidingen zit een module kraamzorg niet verplicht ingebouwd. Sommige thuiszorginstellingen hebben zeer veel geïnvesteerd in een opleiding tot kraamverzorgende, anderen geven weinig of geen specifieke opleiding.

 

Daarnaast kunnen een aantal knelpunten worden aangehaald die gepaard gaan met de wettelijke bepalingen voor de diensten voor gezinszorg zoals het strikte urencontingent dat men niet mag overschrijden. Voorheen kenden de kraamcentra geen beperkingen in aantal uren die zij konden spenderen aan zorg, bijscholing of teamvergaderingen. Daarenboven kent de gezinszorg een systeem waarbij men slechts een subsidie van 75% per gepresteerd uur krijgt, de overige gelden moeten gezocht worden bij andere instanties zoals gemeentebesturen. Zeker voor teamvergaderingen en bijscholingen waarvoor een dienst geen cliënt bijdrage ontvangt is dit een probleem.

 

Een volgend knelpunt is het feit dat de kostprijs van kraamzorg voor een kraamgezin hoger is dan de kostprijs van een ziekenhuisverblijf, terwijl voor de overheid het omgekeerde geldt.

 

De nieuwe organisatiestructuur kent ook een aantal positieve punten. Zo hebben de (kraam)verzorgenden nu een wettelijk statuut, vroeger was dit niet het geval.

 

Ook de werking van de expertisecentra per provincie kan zeker als positief worden aanzien. De expertisecentra staan onder supervisie van Kind en Gezin en kregen resultaatsgebieden waaraan ze moeten werken. Het gaat hierbij onder andere om de bekendmaking van kraamzorg, verzamelen van documentatie, opleiding en vorming naar professionelen en niet professionelen.

 

Een derde positief punt is het feit dat thuiszorgcentra willen investeren in goede kraamzorg bij een stijgende vraag.

 

Discussie

 

Het bewaken van het specifieke van kraamzorg kan aanzien worden als een aandachtspunt bij de nieuwe organisatiestructuur. De kraamcentra hebben gedurende 20 jaar sterk geïnvesteerd in kwalitatieve kraamzorg. Door de integratie mag dit niet verloren gaan. Kwaliteitseisen kraamzorg opgesteld door de expertisecentra in samenspraak met de kraamzorgsector, zouden hieraan tegemoet kunnen komen. De thuiszorginstellingen kunnen dit kwaliteitslabel vrijblijvend behalen.

 

Een tweede aandachtspunt dat niet uit het oog mag verloren worden is de onafhankelijkheid van de expertisecentra. In elke provincie, met uitzondering van West-Vlaanderen, zetelt het expertisecentrum in de vzw van het vroegere kraamcentrum, dit maakt dat er nog een sterke band bestaat tussen het geïntegreerde kraamcentrum en het expertisecentrum. Sommige thuiszorginstellingen zien dit als partijdigheid. We kunnen verwachten dat met de jaren deze band zal verwateren omdat ze elk een ander werkterrein hebben.

 

Tot de mogelijkheden van de nieuwe organisatiestructuur behoren de grotere bekendmaking en het ruimer aanbod van kraamzorg omdat alle diensten voor gezinszorg kraamzorg (kunnen) leveren.

Daarnaast biedt de werking van de expertisecentra  mogelijkheden in het bevorderen van de kwaliteit van kraamzorg. De expertisecentra kunnen inspelen op specifieke noden in de provincie, vb. organiseren van bij scholingen voor kraamverzorgsters, zo hoeft niet elke dienst apart bijscholing te organiseren.

 

Één van de beperkingen van de nieuwe organisatiestructuur zijn de verschillende belanghebbenden. Zo pleitten de kraamcentra voor een onafhankelijk statuut terwijl de thuiszorginstellingen voor de integratie waren omwille van een bonus urencontingent. Daarnaast betekende de integratie voor de autonome kraamcentra dat ze verplicht werden een ‘zuil’ te kiezen. Deze verzuiling betekent een inefficiënte versnippering van het aanbod vermits in één gemeente twee verbonden naast elkaar werken, elk met te weinig aanvragen kraamzorg om te kunnen investeren in goed uitgebouwde kraamzorg.

 

Daarnaast kan gesteld worden dat de kraamcentra voor hun uitbouw momenteel volledig afhankelijk zijn van het beleid van de thuiszorgcentra.

 

Aanbevelingen

 

Binnen de huidige structuur kunnen een aantal aanbevelingen geformuleerd worden:

Een apart urencontingent voor kraamzorg, naast dat van de thuiszorg. Zo wordt in een groei voor kraamzorg voorzien.

Het voort bestaan van de expertisecentra, momenteel hebben deze een werkingsduur tot eind 2004.

Het concipiëren van een aparte bijdrageschaal voor kraamzorg. Momenteel gebruikt men voor kraamzorg dezelfde schaal als voor thuiszorg (meer zorg naarmate men ouder wordt) waardoor kraamzorg duur uitvalt.

 

Conclusie

 

Dit onderzoek toont aan dat kleine organisaties veel aan specificiteit moeten inboeten om te ‘passen’ binnen de grotere structuren. De expertisecentra hebben in het belang van de kraamzorg een belangrijke taak naar de toekomst toe.

 

Download scriptie (945.46 KB)
Universiteit of Hogeschool
Universiteit Gent
Thesis jaar
2004