Lijnstad Vlaanderen - Prospectie van de lineaire stad als alternatief stadsmodel

Daniëlle
Raymaekers
  • Daniëlle
    Raymaekers

De traditionele structuur van stad en platteland in Vlaanderen heeft de laatste jaren zowel morfologisch als functioneel belangrijke wijzigingen ondergaan. Gedurende de twintigste eeuw groeide de stad — door sterke uitbreiding van de bebouwde ruimte — uit tot een stedelijke agglomeratie. Ze was herkenbaar door haar omvangrijk geheel van aaneengesloten bebouwing. Vanaf de Tweede Wereldoorlog zal de woonfunctie zich echter over een veel ruimere oppervlakte gaan verspreiden, waardoor het stedelijk gebied zich zal uitstrekken ver buiten de grenzen van de traditionele stad. De suburbanisatie komt op gang wanneer ook andere functies zich gaan verspreiden. Het stedelijke conglomeraat zal vorm krijgen. Binnen dit stedelijke conglomeraat zien we een sterke fragmentatie van de ruimte. De ‘complete stad’ is niet langer herkenbaar als functionele en morfologische eenheid. Het zwaartepunt van de stad verschuift zich van de traditionele centra naar meerdere verspreide centra rondom de historische kern.

 

Dit leidt tevens tot een nieuwe benadering van de ruimte die men gebruikt als een netwerk van losse, uit elkaar gelegen functies. Men kan eender waar wonen en werken. Vanuit de plek waar men woont, kan men via verscheidene netwerken contact houden met de rest van de uitgespreide stad. De stad is een netwerk op zichzelf geworden. Deze medaille heeft echter ook een keerzijde. Groene ruimte wordt meer en meer versnipperd, wegen raken verzadigd, de impact op het milieu is nefast, etc. Zowel ons huidige verspreide woonmodel als onze verplaatsingscultuur botsen tegen hun grenzen aan. Er is nood aan een overkoepelend plan, een visie op het gehele territorium. 

 

Het metropoolvormingsdebat is de laatste jaren sterk op gang gekomen. Verscheidene architecten, politici, stedenbouwkundigen,... denken na over de toekomst van de Vlaamse ruimte. Binnen dit debat kunnen grofweg twee uitersten onderscheiden worden: het ene legt de focus op het concentreren, het andere op het spreiden. Binnen deze twee uitersten vinden we een hele reeks tussenmodellen die een compromis tussen beiden proberen te zoeken (zoals het polycentrisch model). Deze scriptie wordt dan ook gestart met een korte bespreking van de problematiek in Vlaanderen vandaag en het heersende debat over de toekomst van onze metropool. Er wordt een onderscheid gemaakt tussen de compacte stad, de diffuse stad en het polycentrisch model. Een belangrijke kanttekening die dient gemaakt te worden is het feit dat niet alle oplossingen voor de problematiek van Vlaanderen vandaag kunnen toegeschreven worden aan één enkel model. Het vergelijken en afwegen van de verschillende modellen is onontbeerlijk.

 

Bij het totstandkomen van de verschillende modellen werd reeds gekeken naar een aantal modellen uit het verleden. In het verleden hebben een aantal stedenbouwkundigen of architecten hun visie op de verdere toekomst van de ruimte weergegeven in een aantal modellen. Deze zijn uiterst waardevol om na te denken over de toekomst. Dit wil uiteraard niet zeggen dat de modellen uit het verleden exact kunnen vertaald worden naar vandaag, maar ze vormen ontegensprekelijk een goede leerschool. Een aantal van de aspecten waar ze in die tijd mee vochten, keren vandaag de dag terug. Zo zien we dat Paola Viganò — een stedenbouwkundige en architecte verbonden aan de Università IUAV in Venetië — voor haar visie op de horizontale metropool (een verhaal dat zich kadert in het thema van de diffuse stad) zich baseert op een historisch model uit 1923 van Erich Gloeden. Vanuit de grote metropoolvormingsdiscussie keert ze terug naar de discussies uit de jaren ’20 om te laten zien dat er meer in zo’n model zit dan we eigenlijk op het eerste zicht zouden denken. Vanuit het verleden zijn verschillende redeneringen gemaakt van hoe je met infrastructuur en de open ruimtestructuur een stedelijke omgeving in elkaar breidt. Door de bestaande plannen van Gloeden te hertekenen krijgt de lezer een heel andere kijk op de schema’s en plannen. De veelheid aan details komen naar boven. 

Dezelfde oefening kan gemaakt worden op het concept van de lijnstad. De lijnstad is een model dat bijna iconisch is geworden voor een bepaalde tijdsgeest. We zien echter dat het gedurende de geschiedenis bijna periodiek terug opduikt. De aanleiding om de lijnstad te herbekijken in een hedendaagse context was een citaat van architect en stedenbouwkundige Michael Ryckewaert uit het boek ‘Renaat Braem 1910-2001’.

 Hierin stelt hij zichzelf de vraag of we Renaat Braem — in het kader van zijn ideeën over de lijnstad uit 1934 en 1968 — als utopist of visionair moeten beschrijven/definiëren. Hij haalt hierbij een aantal aspecten aan die momenteel onderdeel zijn van de hele stadsvorm-, metropoolvormingsdiscussie en duurzaamheidsproblematiek. Aspecten zoals de zoektocht naar nieuwe woningtypes, integratie van collectieve functies binnen deze nieuwe woonvormen, focus op het principe van gedeconcentreerde bundeling, openbaar vervoer tot buiten de stedelijke agglomeraties, zijn één voor één aspecten die vandaag de dag zeer prominent aanwezig zijn in het debat. Michael Ryckewaert besluit dus dat het stedenbouwkundig werk van Renaat Braem als visionair kan omschreven worden. Hij stelt hierbij dat een heel deel van Braem’s ideeën uit die tijd misschien wel actueler zijn dan we eigenlijk op het eerste zicht zouden denken. 

 

We bezitten dus een bepaalde intuïtie dat de lijnstad als concept misschien wel opnieuw naar voren kan gebracht worden. De lijnstad is een model dat spreiden en concentreren in één model vervat. Het is een model dat reageert tegen een heel aantal aspecten die vandaag de dag opnieuw naar de voorgrond komen, denk maar aan het vrijwaren van grote groene gebieden, het efficiënt gebruik van de transportinfrastructuur, etc... De hoofdvraag van deze scriptie is dan ook of het concept van de lijnstad een bijdrage kan leveren binnen de hedendaagse metropoolvormingsdiscussie. Kan de lijnstad aanzien worden als een model dat geheel of ten dele opnieuw inzetbaar is vandaag de dag? Kan de lijnstad aanzien worden als een model tussen spreiden en concentreren in? Indien dit het geval is, op welke manier kan het model dan het best geplaatst worden binnen dit discours?

 

Download scriptie (4.44 MB)
Universiteit of Hogeschool
Universiteit Gent
Thesis jaar
2013