Van urine en aardappelschijfjes tot wetenschappelijke discipline

Artikel

restauratie

 

Het publiek kon de afgelopen jaren de restauratie van het Lam Gods van nabij meemaken. Grondig wetenschappelijk onderzoek moest het werk weer zo dicht mogelijk bij Van Eycks origineel brengen. Maar restauratie en conservatie waren niet altijd de wetenschappelijke disciplines die ze nu zijn. Voor haar masterproef onderzocht kunsthistorica Audrey Boivin (UGent) hoe rond het begin van de 20ste eeuw een en ander kantelde.

‘In de periode van ongeveer 1880 tot 1920 vond een belangrijke evolutie naar meer wetenschappelijke methodes voor restauratie en conservatie van kunstwerken plaats’, zegt Audrey Boivin. ‘Ik druk het even cru uit, maar vóór die tijd deden ze maar iets waarvan ze dachten dat het kon werken. Schilderijen werden schoongemaakt met urine, men wreef over het oppervlak met een aardappel of legde het schilderij gewoon een dag in een bad water.’ 

Tot de 19de eeuw hadden schilderijen een andere functie en restauratie betekende niet meer dan een update van een gedemodeerd object

Een fris kleurtje

Tot de 19de eeuw hadden schilderijen vooral een decoratieve of didactische functie. Restauratie betekende niet meer dan een update van een gedemodeerd object, zoals we vandaag ons interieur een fris kleurtje geven. De 19de eeuw bracht industrialisering en sprongen voorwaarts voor de wetenschap. Ook de kunstwetenschappen ontwikkelden zich stilaan tot een discipline. En het schilderij werd kunst. ‘Vanaf dan werd de historische waarde van oude schilderijen belangrijker. Een werk kon dus maar best zo dicht mogelijk bij het origineel blijven. Bijschilderen of afsnijden was voortaan not done.’
Voor zover we weten is de eerste wetenschappelijke restauratiemethode die van de Duitse chemicus Max Pettenkoffer. Hij wilde de vaak troebel geworden vernis van oude schilderijen opnieuw helder krijgen. Daarom bouwde hij rond het schilderij een afgesloten houten kist, waarin hij alcoholdampen vrijliet. 10 tot 20 jaar lang leek het schilderij weer nieuw.

De mysterieuze restaurator 

Toch hing er nog lang een zweem van mysterie over de restaurator en zijn werk. In de periode die Audrey Boivin onderzocht, voerden kunstenaars, kunstcritici en kunsthistorici wel al polemieken over kunstrestauratie. Ze stelden verouderde werkwijzen en beweegredenen in vraag en bepleitten de nieuwe, meer gefundeerde methodes. Maar de restauratoren zelf werkten liever in de schaduw en schreven nauwelijks iets neer over hun aanpak. Hoe groter het belang van authenticiteit, hoe meer ze hun positie immers bedreigd zagen: waarom zouden ze de vakgeheimen waar ze hun brood mee verdienden prijsgeven? 

Ook op de kunstmarkt was discretie goud, want hoe authentieker het kunstwerk, hoe hoger de waarde. De kunsthandelaar liep er dan ook liever niet mee te koop hoezeer die ‘authentieke Rubens’ al geretoucheerd werd. Is een geretoucheerde Rubens trouwens nog een Rubens? Zulke morele vragen kwamen almaar vaker op tafel. 

De miskleun als uitzondering

Nu nog loopt er af en toe iets mis. Denk maar aan Ecce homo, het 19de-eeuwse fresco van Elias Garcia Martinez in het Spaanse Borja. Dat werd door een goedbedoelende amateur zo rampzalig ‘opgeknapt’ dat het op slag een toeristische trekpleister werd. Het gaat gelukkig almaar vaker om uitzonderingen. Vast staat dat het begin van de 20ste eeuw het begin was van een zich almaar verder ontwikkelende nieuwe visie op restauratie en conservatie van kunst. ‘De toon was gezet voor een professionele aanpak. En die maakt dat we vandaag nog altijd kunnen genieten van ons prachtige culturele erfgoed’, besluit Audrey Boivin, die intussen zelf een opleiding restauratie en conservatie volgt.

Promotor: prof. dr. Maximiliaan Martens

Lees de scriptie

 


Dit artikel verscheen in de wintereditie van de Vlaamse ScriptieKrant

 

Share this on: